De fundamentele theorie van inductoren is geworteld in elektromagnetische inductie en magnetische energieopslagmechanismen. In de kern genereert een verandering in de stroom een magnetisch veld rond de geleider; Omgekeerd veroorzaken veranderingen in dit magnetische veld een elektromotorische kracht die de stroomverandering tegenwerkt. Dit proces vormt de basis van de werking van de inductor en onderscheidt deze van een weerstand.
Theoretisch wordt de relatie tussen de spanning over een inductor en de snelheid waarmee de stroom verandert uitgedrukt als $V=L \\frac{di}{dt}$. De inductiewaarde $L$ wordt bepaald door het aantal spoelwindingen, de permeabiliteit van het kernmateriaal en de fysieke afmetingen van de component. Een groter aantal windingen of een hogere permeabiliteit resulteert in een hogere inductie, wat op zijn beurt een sterkere weerstand biedt tegen stroomveranderingen. Deze relatie illustreert de fundamentele rol van de inductor in een circuit: het vertragen van stroomveranderingen.
Wat de energiedynamiek betreft, kunnen inductoren elektrische energie omzetten in magnetische veldenergie voor opslag, volgens de formule $W=\\frac{1}{2}LI^2$. Energie wordt opgeslagen wanneer de stroom toeneemt en weer in het circuit vrijgegeven wanneer de stroom afneemt; bijgevolg dienen inductoren als energiebuffers in toepassingen zoals schakelende voedingen, filtercircuits en oscillatiesystemen. Bovendien vertonen smoorspoelen in AC-circuits frequentie-afhankelijkheid, met name de inductieve reactantie ($X_L=2\\pi fL$) neemt toe met de frequentie-, wat dient als een belangrijke theoretische basis voor hun wijdverbreide gebruik in hoogfrequente circuits.
